Copelandschap 2018-02-06T17:06:57+00:00

Van moeras tot coulissenlandschap

‘Vruchtbare velden, groene weiden, met vee bezaaid, golvende korenakkers, donkere bosschen, tuinen, hofsteden, boomgaarden, lanen, heiden en heuvels in de verte, de blinkende wateren van de Wetering en de Kromme Rijn […] een rijk gestoffeerd panorama ligt daar voor ons.’  (J. Craandijk, Wandelingen door Nederland, 1888)

Zompige wildernis

De naam zegt het al: ooit was het Langbroeker-weteringgebied, waarin Sterkenburg ligt, een ‘lang broek’ ofwel een uitgestrekt moeraslandschap. Vooral als de Kromme Rijn buiten zijn oevers trad stond het gebied volledig blank. Maar nadat de Utrechtse bisschop Godebald in de twaalfde eeuw opdracht gaf de Kromme Rijn af te dammen, werd het mogelijk om de moerasbossen om te zetten in landbouwgrond. De sterk groeiende bevolking had hieraan grote behoefte.

Copelandschap

Om het gebied te ontwateren werd de Langbroekerwetering gegraven. Geen eenvoudige klus in die tijd want alles moest met de hand gebeuren. Loodrecht op de wetering werden sloten aangelegd om de moerassige gronden verder te ontwateren, met daartussen kavels met een vaste maat van 55 bij 1250 meter (of een tweevoud daarvan). Deze strookvormige verkaveling wordt ook wel slagenlandschap of copelandschap genoemd. Copes zijn de overeenkomsten die tussen ontginners en grondeigenaren werden gesloten.
Tussen de ontginningen werden kaden opgeworpen, waarvandaan weer nieuwe stroken werden ontgonnen. De huidige straatnaam ‘Zuwe’ verwijst daar nog naar. Zuwe komt van het middeleeuwse woord ‘zijdwinde’ en betekent zoveel als de zijkade van een ontginning. In dit geval vormt de Zuwe de grens tussen de ontginning van het gebied onder Langbroek en van Sterkenburg.

In dit copelandschap verrezen vanaf de 13e eeuw vele ridderhofsteden. Eeuwenlang werden de kavels gebruikt voor akkerbouw en veeteelt. Veel oorspronkelijke kavels werden opgedeeld, versmald en bezet met kleine boerderijen. Om het kwelwater van de Utrechtse Heuvelrug af te voeren werden de percelen direct ten noorden van de Langbroekerwetering opgedeeld in twee, soms drie enigszins bol staande delen met een greppel ertussen.

Ontstaan van het coulissenlandschap

Vanaf de zeventiende eeuw werden veel kastelen omgevormd tot buitenplaatsen en werden uitgestrekte tuinen en parkbossen aangelegd.
Zo ook bij Sterkenburg. Dwars op de ontgonnen stroken grond werden zes vakken aangelegd, waarvan op één het kasteel stond. De andere vakken werden in gebruik genomen voor onder meer een weide, boomgaard en hakhout. Klik hier voor meer informatie over het kasteelpark.

Het hakhout diende onder meer als kachelhout en als brandhout voor de ovens van bakkers. Ook werd het als geriefhout gebruikt, bijvoorbeeld door er stelen van te maken voor allerlei gereedschappen. Nog steeds zijn bij Sterkenburg hakhoutbosjes te vinden van onder andere eik, es en hazelaar.
Zo ontstond langzaam maar zeker een landschap waarin de regelmatige verkavelingstructuur wordt afgewisseld met stroken bos en beplantingen en een lint van bebouwing. Dit landschap wordt ook wel ‘coulissenlandschap’ genoemd.

Greppels graven

In de landbouwkavels groeven de boeren vele greppels. Deze waren bedoeld om het zure regenwater af te voeren. Dit was belangrijk omdat verzuring de afbraak van organische stof belemmert en er daarmee minder voedingsstoffen voor planten (fosfaat en stikstof) beschikbaar komen. Dus de greppeltjes waren minder voor de ontwatering dan om de verzuring tegen te gaan!